De ‘Hollandse Zaal’ in het Koninklijk Paleis te Antwerpen
geschreven door Jean Pierre van der Planken
Van 1814 tot 1830 waren Nederland en Belgixeb onder koning Willem I verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden. In het Koninklijk Paleis aan de Meir te Antwerpen verwijst de Zaal der 17 Provincixebn (ook Hollandse Salon genoemd) naar deze korte periode. De zaal was pas een maand voor het begin van de Belgische Omwenteling klaar. Ze heeft dan ook slechts gedurende enkele weken dienst gedaan als ontvangstruimte die de Oranjedynastie moest verheerlijken. Het is opvallend dat ze de revolutie heeft overleefd, xe9n de 175 daaropvolgende jaren.

De inrichting
Het paleis aan de Meir is in 1745-1748 in rococostijl gebouwd door architect J.P. van Baurscheit in opdracht van Joan van Susteren, heer van x92s Gravenwezel en telg uit een rijk geslacht van rooms-katholieke bierbrouwers uit x92s Hertogenbosch. Na diens dood kwam het Vorstelyck Huis, zoals het toen door de Antwerpenaren werd genoemd, achtereenvolgens in het bezit van de families de Fraula, Roose de Baisy en de Bergeyck. De weduwe van Graaf de Bergeyck verkocht het paleis in 1812, tijdens het Franse regime, aan het keizerlijk kroondomein. Napoleon had immers behoefte aan een passende residentie in zijn Antwerpse Quartier impxe9rial, dat voor hem x93als een pistool gericht op Engelandx94 van groot strategisch belang was en dat hij regelmatig bezocht om er de uitbreidingswerken aan haven en forten te superviseren. Architect Verly begon in het paleis meteen aan de nodige aanpassingswerken: het interieur heeft daardoor ook nu nog een Empirekarakter x96 vooral in de slaapkamers van keizer en keizerin. Maar Napoleon zou het resultaat nooit te zien krijgen. Degene die op 29 juni 1814 vanaf het balkon op de Meir wxe9l de toejuichingen van het Antwerpse volk in ontvangst nam was zijn grootste vijand: de Russische tsaar Alexander I x85
In 1815 werd het gebouw ter beschikking gesteld van Willem I, de nieuwe koning van de Verenigde Nederlanden.

Vanaf 1827 droop het water langs de wanden van de eerste verdieping van het paleis tot op de gelijkvloerse verdieping. Er was een regenwaterreservoir op zolder om bluswater te hebben en het erbij horende regenafwateringssysteem was inefficixebnt. Er moesten dan ook dringende herstellingswerken worden uitgevoerd aan de rechtse voorbouw en aan de trapzaal, wat als een gelegenheid werd gezien om ook de inrichting te renoveren. In oktober 1829 gaf Willem I aan de Antwerpse schilder en directeur van de Kunstacademie Matthias Van Bree de opdracht een salon op de eerste verdieping in te richten als een representatieve ontvangstruimte. Van Bree, die ook gemeenteraadslid was, stelde voor de Zaal der 17 Provincixebn een iconografisch programma op dat de grootsheid van de Oranjedynastie moest benadrukken en dat door de koning werd goedgekeurd.
In de wanden van het vertrek bracht Van Bree vier historische halfrelixebfs aan waar hij zelf de tekeningen op ware grootte voor had geleverd. Hij liet het werk in pleister uitvoeren door twee van zijn beste leerlingen: de jonge beeldhouwers Willem Geefs, die 10 jaar later ook het Antwerpse Rubensstandbeeld zou maken, en Jan Baptist de Cuyper. Het was de bedoeling dat de halfrelixebfs later in marmer zouden worden uitgekapt, maar gezien de nakende gebeurtenissen is dat er nooit van gekomen. Een eerste halfrelixebf beeldt de eed van Claudius Civilis uit tijdens de Bataafse opstand tegen de Romeinen. In de iconografie van de Oranjedynastie verwijst deze Claudius Civilis eigenlijk naar Willem van Oranje als aanvoerder van de Nederlandse opstand tegen de Spaanse koning Filips II.
Een tweede halfrelixebf toont het bezoek van de Russische tsaar Peter de Grote aan de scheepswerven in Zaandam in 1697. De grote tsaar had overigens in dezelfde periode ook de Antwerpse scheepswerven bezocht, maar deze locatie kan moeilijk met de uitbeelding in het halfrelixebf worden geassocieerd aangezien dat op geen enkele manier de Oranjedynastie verheerlijkt.

Wel zal het een rol hebben gespeeld dat Anna Paulowna (1795-1865), zuster van de Russische tsaar Alexander I, de echtgenote was van de Nederlandse kroonprins en dat het koppel, met hun kinderen, graag en regelmatig in het Antwerpse paleis verbleef. De twee overige halfrelixebfs tonen de aanbieding van de Engelse kroon, in 1689, aan stadhouder Willem III en de kroning van koning Willem I in 1815.
Rond de kroonluchter liet Van Bree op het plafond 18 wapenschilden aanbrengen: die der Zeventien Provincixebn die in de zestiende eeuw de Nederlanden vormden xe9n het wapenschild van het Prinsbisdom Luik dat in de zestiende eeuw niet tot de Bourgondische Nederlanden behoorde, maar nu wel deel uitmaakte van het nieuwe koninkrijk. Het kostte enige moeite om van elk der voormalige 17 provincixebn het juiste wapenschild te vinden. Een ambtenaar van de provincie Antwerpen moest er een intense briefwisseling voor voeren.
In een fries bovenaan de vier muren zijn 24 medaillonportretten van historische personages opgenomen. Dit werk werd uitgevoerd door Jozef de Cuyper, nog een andere leerling van Van Bree. De portretten op de medaillons zijn vooral verbonden met de geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden. Onder elk portret staat de naam van de geportretteerde, in het Frans.
De 24 medaillons tonen de portretten van vijf leden van de Oranjedynastie (Willem van Oranje, Maurits van Nassau, Willem Hendrik van Nassau, Willem III van Oranje, koning Willem I), zes Noord-Nederlandse staatslieden en militaire aanvoerders uit de Gouden Eeuw (graaf Philips van Hohenlohe, Diederick van Sonoy, Jan van Galen, Piet Hein, Michiel de Ruyter, Maarten Harpertszoon Tromp), keizer Karel V en diens raadsman Willem van Croy, de auteur van het Wilhelmus Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, de Bataafse held Kattenwald, de 15de-eeuwse Haarlemse drukker Laurens Janszoon Coster, Desiderius Erasmus, de cartografen Gerardus Mercator en Abraham Ortelius, de schilders Peter Paul Rubens (die in de eerste helft van de 19de eeuw ook in de Noordelijke Nederlanden werd aanzien als de grootste schilder uit de geschiedenis van de Nederlanden), Rembrandt van Rijn en Adriaen van der Werff en de Leidse arts Herman Boerhaave.
Ten slotte werd ook de Luikse componist Andrxe9 Grxe9try (Luik 1741-Parijs 1813) in de lijst van geportretteerden opgenomen. Hij is de enige die op geen enkele manier nxf3ch met de 16de-eeuwse Nederlanden, nxf3ch met de Noord-Nederlandse geschiedenis geassocieerd kan worden. Grxe9try verliet Luik al op 19-jarige leeftijd en zijn loopbaan speelde zich voornamelijk af in Italixeb, Zwitserland en Parijs. De Franse koningin Marie-Antoinette was de doopmeter van een van zijn kinderen en door Napoleon werd hij benoemd tot Chevalier in de Orde de la Lxe9gion dx92honneur. Waarschijnlijk werd hij toch in de reeks opgenomen omdat enerzijds een Luikenaar niet kon ontbreken en anderzijds ook een componist in de reeks thuishoorde. Muziek werd in de 19de eeuw immers als de meest verheven kunstvorm beschouwd. Voor portrettering in de Zaal der 17 Provincixebn kon vermoedelijk geen geschikte componist gevonden worden in de Noord-Nederlandse geschiedenis. Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) die daarvoor in aanmerking had kunnen komen was rond 1830 niet algemeen bekend.
Het portret van Karel V (1500-1558) kreeg niet toevallig een prominente plaats naast Willem van Oranje (1533-1584) en diens zoon Maurits. Koning Willem I (1772-1843) meende immers dat hij met zijn eenmakende opdracht in directe lijn stond met Karel V. In een toespraak voor de Staten-Generaal op 21 september 1815 verwees hij daarnaar: x93Karel V was overtuigd dat de Nederlanders niet alleen moesten gehoorzamen aan dezelfde soeverein, maar ook door dezelfde wetten moesten bestierd worden. Nochtans heeft hij zijn leven niet kunnen toewijden aan dit heilzaam werk; en in plaats van deze vereniging, die hij en zijn kwekeling Willem de Zwijger verlangd hadden, moest men zich welhaast aan een droevige scheiding onderwerpen.x94 De koning kan niet vermoed hebben hoe profetisch zijn woorden wel waren x85
Scheiding
In mei 1829 maakte Willem een officixeble rondreis door zijn Belgische provincies. Hij wilde zelf kunnen inschatten hoe ernstig er de bezwaren waren die tegen zijn beleid meer en meer de kop op staken. De Belgen verweten hem namelijk een antiliberaal en antikatholiek beleid, een onevenwichtige verdeling van de belastingheffing tussen Noord en Zuid, een beknotting van de persvrijheid en een eenzijdig taalbeleid (de Franstalige provincies verzetten zich tegen pogingen om het Nederlands,x96 x93une langue pour ainsi dire inconnue en Europex94, aan hen op te dringen). Maar tijdens zijn bezoek aan Antwerpen, waar de economische bezwaren dankzij de florerende havenactiviteiten minder uitgesproken waren dan in de rest van het land, werd de koning goed afgeschermd van potentixeble criticasters. Hij werd niet geconfronteerd met een tegen zijn beleid gerichte petitie die tijdens zijn bezoek in Antwerpen rondging en hij reisde gerustgesteld en opgetogen verder.
De liberale krant le Courrier des Pays Bas had het voorspeld: x93er is grootelyks te vrezen dat hij [= Willem] x85 geduerende zijn reys meer zal omringd zijn door staetslieden, die op het budget leven, en door de industrieelen, die een aendeeltje hebben in het miljoen der nationale nyverheid , dan door eenvoudige schatpligtigen, die met eene hand, ja met twee tegelyk betaelen, zonder een enkel duytje van het budget of het nyvermiljoen te trekken x85x94 (geciteerd in Den Antwerpenaer van 3 juni 1829).
Of, zoals Floris Prims het omschrijft: x93zyn bezoek eindigde gelijk dat van eenen inspecteur, die alles natuerlyck in orde vindt, wanneer hy van zyne komst voorop berigt heeft.x94
Willemx92s initiatief een paar maanden later, tot het versieren van de Zaal der Zeventien Provincixebn met een iconografie die de Oranjedynastie verheerlijkte, toont goed aan hoe de ware aard van de problemen hem ontging.
Het werk aan de inrichting van de zaal duurde tot juli 1830. Nauwelijks een maand later brak in Brussel de Belgische revolutie uit. In oktober plaatste de prins van Oranje (de latere Nederlandse koning Willem II ) zichzelf vanuit het Antwerpse Koninklijk Paleis, in een laatste wanhoopspoging, aan het hoofd van de opstandelingen. Hij wilde immers graag zelf koning der Belgen worden. Dat was niet aanvaardbaar, noch voor koning Willem I, zijn vader, noch voor de Belgen. De kroonprins zag zich dan ook genoodzaakt de benen te nemen naar Londen. Op 27 oktober 1830 kwam Antwerpen in handen van de Belgische patriotten, na twee gruwelijk bloedige dagen van hevige straatgevechten tot onder de ramen van de Zaal der Zeventien Provincixebn, waarbij de Nederlanders vanuit de citadel, waar zij zich hadden teruggetrokken, en vanaf hun oorlogsschepen op de Schelde urenlang de stad bombardeerden. Daarvan getuigt nog een andere Antwerpse herinneringsplek, minder prestigieus dan de Zaal der 17 Provincixebn: de huisgevel van het huidige Cafxe9 Bananax92s aan de Sint-Paulusplaats waarin tussen de ramen van de eerste en de tweede verdieping al meer dan 175 jaren lang een Nederlandse kanonskogel wordt gekoesterd.

Omdat de Belgen na deze gebeurtenissen vreesden dat de grote Europese mogendheden hen alsnog de Nederlandse kroonprins als koning zouden opdringen, bepaalden ze in november per decreet dat x93leden van het stamhuys van Oranje-Nassau voor altyd uyt alle magt of gezag in Belgixeb uitgesloten zynx94. Deze bepaling geldt nog steeds: ook nu nog zijn de leden van het Huis van Oranje de enige wereldburgers die bij wet van de Belgische troon worden uitgesloten.
Ondanks de verandering van regime, de tiendaagse veldtocht in 1831, de beschietingen die de Antwerpenaren vanuit de tot in het najaar van 1832 door de Nederlanders bezette citadel moesten ondergaan, de blokkade van de Schelde en het uitblijven tot in 1839 van de officixeble erkenning van Belgixeb door Nederland, werd de iconografie van de Zaal der Zeventien Provincixebn nooit gewijzigd. In 1831 werd het Koninklijk Paleis ter beschikking gesteld van de nieuwe Belgische dynastie, maar het werd door het koninklijk hof slechts sporadisch gebruikt, waardoor het niet echt de status had van een officixeble hofresidentie met de daarmee samenhangende verplichtingen qua decorum. Deels zal dit verklaren waarom de inrichting van de Hollandse Zaal niet werd aangepast. De historische verwijzingen naar het vorige regime verhoogden bovendien de grandeur van het gebouw en van haar gebruikers. Ook kunnen de orangistische sympathiexebn die in Antwerpen toch nog tot ca. 1836 voortleefden voor een bufferperiode gezorgd hebben, net als het feit dat de schepper van de zaal, Matthias Van Bree, ook na de Omwenteling de gerespecteerde directeur van de Antwerpse kunstenaarsacademie bleef, tot aan zijn dood in 1839. Van Bree en zijn medewerkers werden in oktober 1833 zelfs nog door de Belgische regering uitbetaald voor hun werk, van vxf3xf3r de revolutie, aan de Zaal der Zeventien Provincixebn.
Nog tot 1969 bleef het Koninklijk Paleis functioneren als Antwerpse residentie van de Belgische monarchie. Daarna werd het omgevormd tot een cultureel centrum. De Zaal der Zeventien Provincixebn werd enkel gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen, en haar oranje muren en haar versieringen waren daarbij door de tentoonstellingspanelen vaak aan het oog van het publiek onttrokken.
Momenteel wordt het paleis gerestaureerd, en dus ook de Zaal der Zeventien Provincixebn die daarna voor het eerst in al haar Hollandse splendeur door het publiek bewonderd zal kunnen worden. Als lieu de mxe9moire zal de zaal de bezoekers herinneren aan de korte periode van hereniging van de Nederlanden, onder de Oranjedynastie, xe9n aan de plotse, onverwachte en definitieve scheiding.

Gebruikte bronnen:
1. De 25 dagen van Antwerpen, Antwerpen, deel 15, p. 363-366
2. Debruyn, M., Het paleis op de Meir in Antwerpen: van particuliere woning tot keizerlijke en koninklijke verblijfplaats (Leuven, 2004).
3. Den Antwerpenaer (Antwerpen 1829).
4. Het Koninklijk Paleis: bouwer en bewoners (Antwerpen 1970)
5. Janssens, J., De helden van 1830. Feiten & mythes (Antwerpen 2005)
6. Mertens, F. en K.L. Torfs, Geschiedenis van Antwerpen, deel 7
7. Prims, F., Het Koninklijk Paleis te Antwerpen (Antwerpen 1931)
8. Prims, F., De geschiedenis van Antwerpen, Antwerpen, 1927-1949, deel VIII.
9. Rijksarchief Antwerpen, bundel J340A.
Bron: E-zine cultuurwetenschappen, 14-09-2008